– MOED! – honderd hedendaagse dichteressen

Eerst even iets heel anders en dan kom ik vanzelf bij deze prachtige dichtbundel uit.
In een curieus 2e handsboekwinkeltje in het Ierse stadje Kenmare, vond ik, of eerlijkheidshalve mijn partner die elke plank consciëntieus afschuimde, de originele uitgave van Downhill all the way, het vierde deel van de biografie van Leonard Woolf, de echtgenoot van Virginia Woolf. Een uitgave uit 1968 op zijn eigen Hogarth Press. De biografie van deze onafhankelijke observator beslaat de jaren 1919-1939. Heel wat bladzijden zijn gewijd aan het reilen en zeilen van de Hogarth Press, de uitgeverij die de Woolfs in hun eigen huis opgezet hadden en het proces waarin ze terechtkwamen toen het werk hen boven het hoofd dreigde te groeien.
Dit deed me met weemoed terugdenken aan de Vrouwenboekenkrant Surplus, halverwege de 80er jaren opgekomen. De eerste keer dat ik dit toen nog in drieën gevouwen krantje zag en las, werd ik getroffen door het uiterlijk in de eerste plaats: een echte Krant over en door vrouwen. Ik wilde daar onmiddellijk bijhoren en dat gebeurde ook, spoedig mocht ik toetreden tot de redactie en drie jaar van buitengewone inspiratie volgden: de wekelijkse vergaderingen afgesloten met cafébezoek, de deadlines, de eindredactie waarbij het hele weekend doorgewerkt werd op de burelen waar nog grote oude schrijfmachines stonden; getypt, geknipt en geplakt stelden wij ons de krant in wording voor.

Surplus als glossysurplus
Ook toen al was er sprake van een schaduw, want de uitgeverij die ons onderdak bood op het Rapenburg, An Dekker, had er natuurlijk geen zin in als nieuw uitgekomen boeken in haar fonds niet of slecht besproken werden in de krant.
Later verhuisden we naar een grote kamer bij uitgeverij Contact, een groot pand aan een van de grachten, waar we echt niet thuis hoorden, zo keurig en netjes was het daar en gelukkig duurde de samenwerking, hoewel uiterst vriendelijk, niet lang, tenminste zo herinner ik het mij. Tenslotte kwamen wij terecht op de zolderverdieping van het Vrouwenhuis en dat beschouw ik als de meest onafhankelijke tijd, de locatie als het best passend bij ons. Niettemin bleef ook hier de wet gelden dat de oplage – die overigens behoorlijk groot was, er waren toen heel wat abonnees – steeds moest blijven stijgen, waarom weet ik niet, het zal met de subsidie te maken hebben gehad. Op een gegeven moment kwam tot mijn afgrijzen het uiterlijk van een glossy in beeld, waar wij aan zouden moeten voldoen om een volwassen blad te worden, of zoiets. En zo werd Surplus, de Vrouwenboekenkrant, een A4formaat in glossy, niet meer te onderscheiden van elk ander tijdschrift. Dit ging misschien niet toevallig gepaard met een wisseling van de medewerksters, die niet specifiek hierom weggingen denk ik, maar op een onbewust niveau zou het toch zo kunnen zijn. De bevlogen oprichtster en hoofdredactrice Lucie Th.Vermij wilde niet langer het boegbeeld zijn, helaas, en koos voor een betaalde carrière en een voor een verdwenen de vrouwen van het eerste uur naar echte banen en uiteindelijk ook ik en toen is het blad nog jaren doorgegaan, maar volgens mij werd het steeds saaier. Er leek ook een andere, meer aangepaste generatie de redactie te bevrouwen en het in drieën gevouwen krantje dat opviel doordat het zo duidelijk een stem vanuit de marge vertegenwoordigde, was voorgoed verleden tijd.

als een vlieg in een web
Daar moest ik aan denken toen ik de bladzijden las waarin Leonard Woolf de voortgang van de Hogarth Press beschrijft. Hij en Virginia deden al het werk samen, ’s morgens schreven ze, maar 7 middagen in de week waren ze volgens hem met de uitgeverij bezig, want alle noodzakelijke activiteiten vonden in de kamers van hun huis plaats. De parttime kracht Ralph Partridge wilde niet fulltime werken en de keus was toen om de uitgeverij op te geven of onderdak te zoeken bij een zogenaamd Partnerbedrijf.
Woolf beschrijft hoe ze zich gevleid voelden door de aandacht van twee van dat soort Partners, waaronder de grote uitgeverij Heinemann. Ze kregen het aanbod van complete overname wat betreft het zakelijk gedeelte, terwijl de Woolfs de autonomie hielden over welke boeken gepubliceerd werden.
En wat deden zij? Ze wezen het aanbod af. Omdat het zou betekenen dat de uitgegeven boeken er prachtig zouden uitzien (books which are meant not to be read, but to be looked at) maar dat kwam hen vervreemdend voor, omdat zij juist koersten op de inhoud en daar een eenvoudig doch aantrekkelijk jasje bij zochten. “We felt that we were really much too small a fly to enter safely into such a very large web.” Mooier kan het niet gezegd worden.
En de Hogarth Press overleefde als autonome uitgeverij, want we hebben het hier over 1917 en deze uitgave van Downhill all the way stamt uit 1968.
Hoe zou het gegaan zijn met Surplus, als dat een ingevouwen krantje was gebleven met een eigen en unieke stem, waar de oorspronkelijke redactie was gebleven, naast betaalde carrières?

nieuwe acties
Daarom ben ik zo blij met onze website nu. De geringe kosten die we eraan maken, betalen IJda en ik zelf. Uiteraard hopen we in de toekomst op advertentie-inkomsten, maar zover is het nu nog niet. Dus verblijden we ons in de vooruitgang die we in de afgelopen twee jaar hebben gemaakt, van een enkel archief wat betreft de dichteressengroep uit de tachtiger jaren De Nieuwe Wilden, naar een levende site die open staat voor alle dichteressen, met bekende naam, zonder bekende naam, de gedichten geselecteerd op wat de inspiratie van het moment voortbrengt.

Een troost is dat de onderneming zelf wel ter ziele kan zijn, maar de intenties ervan meestal niet, die kunnen gaan voortleven in nieuwe acties. Daar is onze site een voorbeeld van en natuurlijk heel veel meer van wat in de tussenliggende jaren gebeurd is. Zo zag ik tot mijn verrassing naast de kassa van een museumwinkel het boekje MOED! liggen.
Hierin schittert een internationaal gezelschap van honderd hedendaagse dichteressen op initiatief van Amnesty International en zou als inspiratie kunnen dienen voor wie mee wil doen aan de Poet meet Politics Competition, een link op onze site.

MOED! bevat stuk voor stuk prachtige gedichten. Ik leg er hier twee neer.9789061094760
De eerste: van Katia Kapovitsj (1960) een dichteres uit Moldavië die in de jaren negentig naar de VS emigreerde:

De vrouw in de metro praatte en praatte maar,
met een zware stem vroeg zij de hele rit
aan een of andere zoon
om haar weg te brengen naar de stad,
niet naar deze, naar die andere,
waar haar echtgenoot nog jong zal zijn,
waar zij haar kind de borst zal geven
Ik maakte een rit – god mag weten waarheen – in die wagon
en liep daarna voorop, vaak omkijkend.
Het was spitsuur voor de regenwormen in het gazon,
de rivier lag tussen het hemels fundament en de aarde
en op rode bankjes aten mensen boterhammen
uit papieren zakjes.
De zon rolde naar buiten, vond mijn gezicht.
Wacht, zo meteen vertel ik de rest,
dan zal ik met een blauw oog opduiken bij de trap.

Het tweede gedicht Onze Voeten past naadloos in ons Moederthema. Het is van het jonge meisje Charlotte (1993-2007), overleden in een kamp in de Congo.

Ik kijk naar mijn voeten
ze volgen de voeten van mijn moeder
mijn voeten zullen nooit iets zeggen
maar wat zouden ze kunnen vertellen
hoe het asfalt brandde
hoe scherp het glaszand was in de woestijn
hoe zacht de grond in het bos
waar ze moesten rennen voor de mannen
mijn voeten zijn nooit bang
ze rennen alleen maar met mijn angst mee
ik kijk naar mijn voeten
ze zijn al bijna zo sterk als mijn moeder

MOED! is uitgegeven in het formaat van een bijbeltje met een harde kaft, heel mooi gedaan, het kost 10 euro en de opbrengsten zijn voor Amnesty International.

November 2013